6.3.4 Aangrenzende ruimten

Ruimtes die niet tot de thermische zone behoren
Nu je voor alle ruimten hebt bepaald of ze wel of niet tot de thermische zone behoren, blijven de ruimtes die niet tot de thermische zone over en nu ga je kijken of deze wel of niet verwarmd zijn.

6.3.4 Aangrenzende ruimten

In de ISSO staat een hele reeks aan regels die jou helpen om te bepalen of de ruimte tot de TZ hoort of niet. Het is belangrijk om ruimten welke aan de grenzende zone horen ook te bepalen, want deze hebben invloed op het warmteverlies via de Thermische Schil. Zo kan b.v. een berging van de buren invloed hebben op de EP-prestatie. Is deze verwarmd dan is dat gunstiger dan onverwarmd, want er is dan geen warmteverlies naar de muur tussen de buren. Het kan zijn dat je het perceel van de buren moet bezoeken, maar lukt dit niet of je kan het niet bepalen, ga dan van een conservatieve aanname uit, dus onverwarmd. Neem je bewijs i.i.g. mee in het dossier!

  • AVR = Aangrenzende verwarmde ruimte –> Constructie (muur) behoort NIET tot de Thermische schil.
  • AOR = Aangrenzende onverwarmde ruimte –> Constructie (muur) behoort WEL tot de Thermische schil.
  • AOS = Aangrenzende onverwarmde serre –> in Basis opname beschouwd als buiten: Constructie (muur) behoort WEL tot de Thermische schil.
  • ASGR = Aangrenzend sterk geventileerde ruimte –> Constructie (muur) behoort WEL tot de Thermische schil.

Om te bepalen of een aangrenzende ruimte als verwarmd of onverwarmd gezien moet worden gebruik je onderstaand beslisschema 6.4.

Afb. 6.4 Beslisschema onverwarmde of verwarmde aangrenzende ruimten.

KEGO

Het kan zijn dat je er in een aparte situatie misschien niet uitkomt. Wanneer je EP-adviseur bent kan je altijd je vragen stellen aan KEGO.

Zie hier een voorbeeld

Bepaling AOR of AVR
https://portaal.stichtingkego.nl/support/solutions/articles/101000392952

Hoe bepaal ik of een ruimte die buiten de thermische zone valt een aangrenzende onverwarmde ruimte of een aangrenzende verwarmde ruimte is?

82.1/75.1 – basis – detail

De bepaling of ruimtes tot de thermische zone behoren gaat als volgt:

1. In hoofdstuk 6.3.1 (ISSO 82.1) of tabel 6.3 (ISSO 75.1) staan ruimtes genoemd, die per definitie nooit tot de thermische zone behoren. Een voorbeeld hiervan zijn clusters van bergingen in een woon- of combinatiegebouw en technische ruimtes van gebouwen met een Ag van meer dan 500 m2.

2. Van de resterende Overige ruimtes wordt met paragraaf 6.3.3 bepaald of ruimtes binnen of buiten de bouwkundige thermische schil van het gehele gebouw vallen. 

Ruimtes die niet in de thermische zone vallen kunnen AVR, AOR of AOS of sterk geventileerd zijn. Voor de ruimtes die volgens H6 buiten de thermische zone vallen, wordt met afbeelding 6.4 bepaald of deze (aangrenzend) verwarmd, onverwarmd etc. zijn. Een berging of technische ruimte kan op basis van afbeelding 6.4 bijvoorbeeld aangemerkt worden als AVR als deze binnen de bouwkundige thermische schil van het gehele gebouw ligt en de scheiding tussen de thermische zone en de betreffende ruimte een lagere warmteweerstand heeft dan de bedoelde thermische schil, ook als deze geen afgiftesysteem heeft en niet jaarrond een temperatuur van ten minste 15 graden heeft. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat overige ruimtes die niet gemeenschappelijk zijn, niet afzonderlijk als utiliteit gelabeld worden en die grenzen aan de thermische zone van de woonfunctie, in het geval dat zij als verwarmd worden beschouwd, geen AVR zijn, maar moeten worden toegevoegd aan de thermische zone zelf. 

Het opnameprotocol spreekt over het “verblijven van personen”, de NTA 8800 spreekt in beginsel over een warmte-afgifte element welke niet (slechts) bedoeld is voor het vorstvrij houden van de ruimte. Een vorstbeveiliging kan een temp. tot 15 graden niet garanderen. Als je aannemelijk kunt maken dat de radiatoren de ruimte > 15 graden kunnen houden en dus meer zijn dan enkel vorstbeveiliging, dan kun je dit als gebouwgebonden warmteafgiftesysteem beschouwen. Je dient je keuze te onderbouwen in je projectdossier. Let hierbij wel op onderstaande opmerking 1. onder beslischema afbeelding 6.3 in het opnameprotocol: Een ruimte wordt alleen verwarmd voor het verblijven van mensen als er ook daadwerkelijk mensen langdurig in de ruimte (kunnen) verblijven. Verkeersruimten worden bijvoorbeeld niet verwarmd t.b.v. het verblijven van mensen.

Voor gemeenschappelijke ruimtes geldt daarom het volgende:

Op grond van de aanwezigheid van een gebouwgebonden warmteafgiftesysteem is een aangrenzende ruimte niet zonder meer een AVR. Het afgiftesysteem moet voldoende afgiftevermogen hebben om de ruimte te kunnen verwarmen tot een temperatuurniveau waarbij mensen langdurig in de ruimte kunnen verblijven. Het plaatsen van een (enkele) radiator is niet voldoende om een aangrenzende ruimte gegarandeerd op 15 graden te houden. Je zult aantoonbaar moeten maken dat de gehele ruimte het hele jaar door boven de 15 graden is. De verantwoordelijkheid voor de bewijslast ligt bij de adviseur. De adviseur kan niet zonder meer bewijzen dat de temperatuur gegarandeerd boven de 15 graden ligt, waarmee het enkel plaatsen van een radiator niet voldoende is om een ruimte als AVR te beoordelen.

Garage als verblijfsruimte
https://portaal.stichtingkego.nl/support/solutions/articles/101000392946-garage-als-verblijfsruimte

Hoe bepaal ik of een ruimte die buiten de thermische zone valt een aangrenzende onverwarmde ruimte of een aangrenzende verwarmde ruimte is?

82.1/75.1 – basis – detail

De bepaling of ruimtes tot de thermische zone behoren gaat als volgt:

1. In hoofdstuk 6.3.1 (ISSO 82.1) of tabel 6.3 (ISSO 75.1) staan ruimtes genoemd, die per definitie nooit tot de thermische zone behoren. Een voorbeeld hiervan zijn clusters van bergingen in een woon- of combinatiegebouw en technische ruimtes van gebouwen met een Ag van meer dan 500 m2.

2. Van de resterende Overige ruimtes wordt met paragraaf 6.3.3 bepaald of ruimtes binnen of buiten de bouwkundige thermische schil van het gehele gebouw vallen. 

Ruimtes die niet in de thermische zone vallen kunnen AVR, AOR of AOS of sterk geventileerd zijn. Voor de ruimtes die volgens H6 buiten de thermische zone vallen, wordt met afbeelding 6.4 bepaald of deze (aangrenzend) verwarmd, onverwarmd etc. zijn. Een berging of technische ruimte kan op basis van afbeelding 6.4 bijvoorbeeld aangemerkt worden als AVR als deze binnen de bouwkundige thermische schil van het gehele gebouw ligt en de scheiding tussen de thermische zone en de betreffende ruimte een lagere warmteweerstand heeft dan de bedoelde thermische schil, ook als deze geen afgiftesysteem heeft en niet jaarrond een temperatuur van ten minste 15 graden heeft. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat overige ruimtes die niet gemeenschappelijk zijn, niet afzonderlijk als utiliteit gelabeld worden en die grenzen aan de thermische zone van de woonfunctie, in het geval dat zij als verwarmd worden beschouwd, geen AVR zijn, maar moeten worden toegevoegd aan de thermische zone zelf. 

Het opnameprotocol spreekt over het “verblijven van personen”, de NTA 8800 spreekt in beginsel over een warmte-afgifte element welke niet (slechts) bedoeld is voor het vorstvrij houden van de ruimte. Een vorstbeveiliging kan een temp. tot 15 graden niet garanderen. Als je aannemelijk kunt maken dat de radiatoren de ruimte > 15 graden kunnen houden en dus meer zijn dan enkel vorstbeveiliging, dan kun je dit als gebouwgebonden warmteafgiftesysteem beschouwen. Je dient je keuze te onderbouwen in je projectdossier. Let hierbij wel op onderstaande opmerking 1. onder beslischema afbeelding 6.3 in het opnameprotocol: Een ruimte wordt alleen verwarmd voor het verblijven van mensen als er ook daadwerkelijk mensen langdurig in de ruimte (kunnen) verblijven. Verkeersruimten worden bijvoorbeeld niet verwarmd t.b.v. het verblijven van mensen.

Voor gemeenschappelijke ruimtes geldt daarom het volgende:

Op grond van de aanwezigheid van een gebouwgebonden warmteafgiftesysteem is een aangrenzende ruimte niet zonder meer een AVR. Het afgiftesysteem moet voldoende afgiftevermogen hebben om de ruimte te kunnen verwarmen tot een temperatuurniveau waarbij mensen langdurig in de ruimte kunnen verblijven. Het plaatsen van een (enkele) radiator is niet voldoende om een aangrenzende ruimte gegarandeerd op 15 graden te houden. Je zult aantoonbaar moeten maken dat de gehele ruimte het hele jaar door boven de 15 graden is. De verantwoordelijkheid voor de bewijslast ligt bij de adviseur. De adviseur kan niet zonder meer bewijzen dat de temperatuur gegarandeerd boven de 15 graden ligt, waarmee het enkel plaatsen van een radiator niet voldoende is om een ruimte als AVR te beoordelen.

Verwarming in kelders, trappenhuizen en gesloten vlieringen
https://portaal.stichtingkego.nl/support/solutions/articles/101000538662

Kan door het plaatsen van een klein verwarmingstoestel of radiator een ruimte die zonder verwarmingstoestel of radiator als AOR moet worden beschouwd, de ruimte worden gewijzigd in een AVR.

82.1/75.1 – basis – detail

Het plaatsen van een radiator is niet voldoende om een aangrenzende ruimte gegarandeerd op 15 graden te houden. Je zal aantoonbaar moeten maken dat de gehele ruimte het hele jaar door boven de 15 graden is. Je zou hiervoor dus eigenlijk het een jaar lang moeten meten. Anders kan je niet garanderen dat een klein kacheltje een trappenhuis boven de 15 graden kan houden.

De verantwoordelijkheid voor de bewijslast ligt bij de adviseur. De adviseur kan niet zonder meer bewijzen dat de temperatuur gegarandeerd boven de 15 graden ligt, waarmee het enkel plaatsen van een radiator niet voldoende is om een ruimte als AVR te beoordelen.

Scan de code