In dit hoofdstuk ga je de begrenzing en indeling van de woning/het woongebouw bepalen. Dit houdt o.a. in dat je gaat kijken welk gedeelte van het gebouw wel en welk gedeelte niet meedoet in de berekening. Daarnaast ga je leren schematiseren en als je deze les voltooid hebt en de ISSO goed kan interpreteren dan ben je klaar voor Examen 2.
Om van een woning of woongebouw de Energetische Prestatie te kunnen bepalen, moet je eerst weten met welke zone(s) er precies gerekend gaat worden. Vaak is er maar één rekenzone binnen de thermische schil aanwezig, maar het kan ook voorkomen dat er meer dan één rekenzone is.
Meerdere rekenzones
Meerdere rekenzones binnen de thermische schil kunnen ontstaan wanneer er naast verwarming ook koeling of ventilatie aanwezig is, of wanneer een gedeelte van de constructie van het gebouw flink afwijkt van de rest van de constructie.
Betonnen rijwoning met een houten opbouw:
De warmtecapaciteit* van het dak is flink anders dan die van het beton. De woning moet gesplitst worden in twee verschillende rekenzones. Dit terwijl beide rekenzones dus gewoon binnen de thermische schil vallen.
Koeling en verwarming:
Een woning welke verwarmd wordt door een C.V. en in een gedeelte van de woning wordt een ruimte gekoeld m.b.v. een split airco unit.
In dit geval zijn er 2 weer rekenzones aanwezig binnen de thermische schil.
Wanneer de rekenzone(s) bekend is(zijn), kan de software deze apart gaan berekenen om dat volgens samenvoegen tot één enkele energetische prestatie.
Om deze uiteindelijk de rekenzon(s) te bepalen, moet het gebouw eerst in 2 andere zones worden ingedeeld. Dit zijn:
Basis voor de berekening:
De uiteindelijk bepaalde rekenzone(s) is/zijn het gedeelte van de woning of het woongebouw dat voor de energieprestatie als verwarmd wordt beschouwd en dient als voor de berekening.
Schematiseren of indelen, Examen module 2
Het indelen van een gebouw in de verschillende zones, wordt schematiseren genoemd. Het is belangrijk dat je goed weet hoe dit schematiseren werkt, als deze fundatie niet in orde is, klopt de hele EP-berekening namelijk niet. Het examen Module 2 gaat hier specifiek over.
Deze stap is onderverdeeld in de volgende 5 stappen van het stappenplan
Stappenplan:
6.1 Bepaal de grenzen van de woning/woongebouw
Wat gedeelte van de woning moet je opnemen?
Hoeveel woonfuncties zijn er aanwezig, is één energielabel genoeg, of worden het er meer?
6.2 Benoem de gebruiksfuncties
In een woning is dit normaalgesproken de functie Woning
6.3 Bepaal de thermische zone
Welk gedeelte is verwarmd?
Doet die aangebouwde schuur aan de woning nu wel of niet mee?
Een kelder toegankelijk via een luik, ga je deze ook mee laten doen?
Een geïsoleerde schuur achter in de tuin, wel of niet verwarmd, wat doe je hiermee?
Een afgesloten zolder toegankelijk met een vlizotrap, hoort deze bij het gebouw?
ETC.
6.4 Deel de thermische zone op in klimatiseringszones
Hoe is het EP-plichtige deel geklimatiseerd b.m.v. verwarming, koeling of ventilatie?
6.5 Deel de klimatiseringszone op in rekenzones
Voor iedere rekenzone wordt apart de EP-prestatie berekent, welke door de software door één energielabel wordt samengevoegd
6.6 Bepaal het risico op oververhitting
Op een hete dag in Juli, is het dan nog wel koel genoeg? (TOJuli)
*Warmtecapaciteit
De warmtecapaciteit van een gebouw is het vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan wordt bepaald door de gebruikte bouwmaterialen en hun hoeveelheden.
Materialen met een hoge warmtecapaciteit, zoals beton, kunnen grote hoeveelheden warmte opslaan zonder een significante temperatuurstijging. Dit maakt ze ideaal voor het bufferen van temperatuurschommelingen en het stabiliseren van het binnenklimaat.