Type distributiesysteem
Het gaat om de verplaatsing van warmte binnen de woning. Dit gaat via een vloeistof, zoals water of via lucht.
9.4.1 Distributiemedium
De distributie van de warmte gaat via het distributiemedium m.b.v. water of via verwarmde lucht.
Warmte kan lokaal zonder distributiemedium opgewarmt worden, zoals b.v. een gaskachel. Als een C.V. of warmtepomp water opwarmt en dit via het distributiesysteem (leidingen) terecht komt in de radiatoren of de oppervlakteverwarming, wordt de ruimte centraal opgewarmd.
9.4.2 Type distributiesysteem
Voor de distributie van warm water bestaan er twee systemen.
Tweepijpssysteem
Dit is het meest gangbare systeem.
Het warme en en minder warme water lopen parallel aan elkaar. Naar iedere aangesloten verwarming gaat in principe dezelfde watertemperatuur in. Het water geeft zijn warmte af via de radiator en stroomt er minder warm uit. Het minder warme water gaat terug naar de opwekker. Er bestaan twee soorten van deze systemen.
1. Regulier
Voordelen:
Eenvoudig aan te leggen.
Nadelen:
Langer leidingwerk, want naar iedere verwarmer lopen 2 aparte pijpen.
De verschillende leidinglengtes hebben een verschillende weerstand, dus verschillende flow door de radiatoren. (Hydraulisch balanceren/inregelen).
2. Tichelmann
Het Tichelmann systeem wordt gebruikt in allerlei opstellingen waarbij de flow van vloeistof of gassen gelijkmatig moet worden verdeeld. Het principe berust op een gelijke weerstand van alle geschakelde elementen in een flow circuit. De lengte en diameter van leidingen speelt hierin een grote rol. Het voordeel van een Tichelmann systeem is dat je zonder tussenkomst van al te veel regelapparatuur en componenten een goed verdeelsysteem kunt maken. Als nadeel kan worden opgevoerd dat in sommige situaties veel meer leidingwerk nodig is.
In het examen zal aangegeven worden of het een Tichelmann-systeem betreft of niet.
Wetende dat dit een tweepijps-systeem is, is genoeg.
Voordelen:
Gelijkmatige warmteverdeling
Verbeterde hydraulische balans
Energiebesparing
Minder geluid
Nadelen:
Complexere installatie
Het éénpijpssysteem
Dit wordt tegenwoordig bijna niet meer toegepast en komt een stuk minder vaak voor.
De verwarmingen zijn in serie achter elkaar aangesloten. De 1ste aangesloten verwarming zal de hoogste watertemperatuur kijgen en het minder warme water gaat door naar de volgende verwarming als invoer enz.. De laatste aangesloten verwarming zal daardoor het minst warme water aangevoerd krijgen.
9.4.3 Waterzijdig ingeregeld (balanceren)
Bij waterzijdig inregelen wordt de installatie zo ingesteld dat het water gelijkmatig verspreid wordt over de afgifte-elementen. Zo krijgt ieder in het systeem dezelfde aanvoertemperatuur geleverd. Hierbij wordt gekeken op welke temperatuur het water het afgifte-element binnen gaat en op welke temperatuur het water het verlaat. De regelbare ventielen worden zodanig ingesteld dat de temperatuur van het uitgaande water een aantal graden anders is dan de binnenkomende temperatuur. Op dat moment geeft ieder afgifte-element de juiste hoeveelheid warmte aan de ruimte af. Dit kan zowel voor koeling als verwarming.
Waterzijdig inregelen, hoe werkt het?
Waterzijdige inregeling moet altijd volgens NEN-EN 14336 zijn uitgevoerd met een verklaring van de fabrikant. Wederom met het adres etc. Minimaal 90% van de installatie moet zijn gebalanceerd en bij meerdere balanceringssystemen binnen één installatie, kies dan degene die het meeste voorkomt voor de hele verwarmingsinstallatie.
9.4.4 Pompen
In installaties zijn altijd één of meerdere pompen te vinden om het water te laten circuleren in het systeem.
Het opnemen van de pompen
Complete toestellen hebben een geïntegreerde pomp. In andere gevallen is er tenminste één separate circulatiepomp aanwezig.
KEGO
Pompvermogen bepalen
https://portaal.stichtingkego.nl/support/solutions/articles/101000465628-pompvermogen-bepalen
Hoe moet het pompvermogen worden bepaald voor distributiesystemen? Kan het pompvermogen worden bepaald door het af te lezen van de pomp(en)?
82.1/75.1 – basis – detail
Er geldt dat het vermogen van een circulatiepomp alleen ingevoerd mag worden als het:
In alle andere gevallen kies je dus voor ‘onbekend’, dit geldt ook als er meer pompen aanwezig zijn en slechts een deel van de pompen voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden.
Bij goede onderbouwing zou het maximale vermogen kunnen worden ingevuld dat kan worden bepaald door aflezen van de typeplaatjes op de pompen als dit tot een beter rekenresultaat leidt dan de forfaitaire waarde. Bij een driestandenpomp kan dan eventueel worden uitgegaan van de stand waarin deze staat. Het werkelijk vermogen zal immers nooit hoger zijn de dan nominale vermogens van de pompen.
Verder geldt:
• Als de EEI bekend is, dan moet deze ingevoerd worden. Bij aanwezigheid van meer pompen waarbij niet van alle pompen de EEI bekend is: EEI onbekend;
• Bij aanwezigheid van meer pompen moeten de vastgestelde vermogens van de individuele pompen worden opgeteld.
9.4.5 Distributieleidingen
Leidingen, isolatie en hun locatie
Leidingen, *appendages en beugels geven warmte af aan de omgeving. Als in de rekenzone geen warmte nodig is, wordt de warmte onnodig afgegeven en gaat dus verloren. Door het isoleren van leidingen, kleppen en beugels zal minder warmte verloren gaan.
Leidingen in de rekenzone
Voor leidingen in de rekenzones wordt aangegeven dat ze door een verwarmde ruimte lopen. Wanneer leidingen of een deel ervan door een onverwarmde ruimte loopt. (in b.v. een kruipruimte, AOS, buiten of in water) moet dit worden aangegeven.
Leidingen in een onverwarmde ruimte
Wanneer de onverwarmde ruimte niet toegankelijk is , dan wordt aangehouden dat 15% van de leidinglengte door een onverwarmde ruimte loopt.
Wanneer de onveverwarmde ruimte wel toegangkelijks is, maar er is geen tekening aanwezig waarop de leidinglengte zijn aangegeven wordt ook aangehouden dat 15% van de leidinglengte door een onverwarmde ruimte loopt.
9.4.6 Warmtemeters
In appartementencomplex waar collectieve of externe warmtelevering zit, wordt het warmteverbruik per appartement bijgehouden door warmtemeters welke op de radiatoren zijn bevestigd. Deze kunnen op afstand uitgelezen worden en dan kan worden bepaald wat het warmteverbruik per woning is.
Als er er warmtemeters in de distributieleidingen van de rekenzone, moet het aantal opgenomen worden.
Opm. distributiesystemen (pompen, distributieleidingen en warmtemeters) die ook voor de distributie van warm tapwater of koelwater worden gebruikt moeten maar één keer worden ingevoerd. Hierbij moet wel aangegeven worden voor welke functies het distributiesysteem wordt gebruikt.
* Appendage
Onder een appendage verstaat men een klein toestel dat dient ter completering van een machine of installatie. Om b.v. een vloeistof te reguleren of a te sluiten.