9.5 Afgifte

Verzamel de volgende informatie tijdens de opname:

9.5.1 Type afgiftesysteem
De volgende verwarmingen in de ISSO zijn gedefinieerd:

  • Radiatoren/convectoren
  • Oppervlakteverwarming (vloer-, wand- en plafondverwarming)
  • Radiatoren en/of convectoren gedreven door een ventilator
  • Luchtverwarming
  • Alle overige gebouwgebonden verwarmingen

9.5.1.1 Ventilatoren voor luchtcirculatie in de ruimte

1. Elektrische verwarming met ventilatie

verwarmingsventilator voor elektrische radiatoren

2. Lokale dynamische warmteopslag


A. Een speksteenradiator slaat tijdens het branden warmte op in zijn structuur. Die warmte geeft hij langzaam en in een aangenaam tempo af aan de omgeving, tot enige tijd nadat de radiator uit is geset.

B. Phase change materials hebben een vertraagde temperatuurafgifte

C. Alle overige (onbekende) situaties

9.5.2 Meerdere afgiftesystemen

  • Binnen een rekenzone is het afgiftesysteem in het hoofdvertrek (woonkamer) bepalend en als er geen woonkamer is de grootste ruimte bepalend.

Meerdere warmte-afgiftesystemen in de hoofdruimte

Opmerking
Haal een verwarminssysteem en een afgiftesysteem niet door elkaar!

Het kan zijn dat er voor de warmteafgifte meerdere afgevers gebruikt worden, zoals vloerverwarming met daarnaast radiatoren. De ISSO kent in het opnameprotocol maar één afgiftesysteem per ruimte en zijn het er meerdere dan moet er een keuze aan de hand van onderstaande prioriteitenlijst worden gemaakt.

Prioritering afgiftesystemen in de hoofdruimte

  1. Oppervlakteverwarming
  2. radiatoren/convectoren
  3. elektrische verwarming
  4. luchtverwarming
  5. lokale kachel

Zoneregeling

Tabel 9.21 In de ISSO geeft de regeling en omschrijving van afgiftesystemen weer. Deze ga ik strakt uitgebreid met je doornemen. Om de tabel ee kunnen begrijpen, zal ik je eerst uitleggen wat een zoneregeling in een verwarmingssysteem is.

Bij een regeling met zones kan de watertemperatuur in verschillende delen in één verwarmingssysteem apart worden geregeld. Verwar dit niet met thermische zone of rekenzone, deze hebben daar niets mee te maken.

Bedrade regelklep
Vloerverwarming met zoneregeling
Draadloze zoneregeling

9.5.3 Regeling afgiftesysteem

Hoe je de regeling van de warmteafgiftesystemen kunt herkennen en bepalen zie je in tabel 9.21.

Tabel 9.16 Op te nemen gegevens regeling afgiftesystemen

1. Regeling in hoofdvertrek (kamerthermostaat. Dit is het meest waarschijnlijk bij woningen.

In het hoofdvertrek (woonkamer of ruimte met grootste GBO) zit de temperatuurregeling en de rest van de vertrekken is dus afhankelijk van de temperatuur in hoofdvertrek. Is het hier warm genoeg en staat de kachel uit, dan kunnen de overige ruimten niet verwarmd worden.

Aantal zones: 1

Voorbeeld systeem 1 met slimme thermostaat in de woonkamer

Afsluiter
Een afsluiter is een onderdeel op een radiator waarmee de doorstroming van water, door doorstroomopeningen (deels) is te openen of te sluiten. Een kogelkraan is een voorbeeld van een afsluiter.

Afsluiter: voetventiel zonder termostaat

Afsluiter: radiatorkraan zonder thermostaat

2. Automatische temperatuurregeling per ruimte.

De ruimten worden automatisch verwarmd door een eigen thermostaat zonder dat de gebruiker de temperatuurinstelling op de verwamer zelf (vloerverwarming)

Voorbeeld: afgiftesaysteem 2

Voorwaarden:

  • Er bevindt zich in de ruimte een eigen thermostaat, welke de ruimte direct kan aansturen.
  • Minimaal 50% van de warmte-afgevers in de ruimte automatisch geregeld zijn.
  • In meer dan 90% van de verblijfsruimten per rekenzone wordt de temperatuur in de vertrekken van het gebouw automatisch geregeld
  • Zone-regeling

Aantal zones: Minimaal 1 zone per ruimte.

3. Automatische temperatuurregeling per ruimte met handmatig overrulen (aan/uit).

Net als 2, maar direct op de verwarmingen zitten nu thermostaatknoppen, waarmee de temperatuur van de individuele verwarmer beperkt kan worden ingesteld.

Voorbeeld afgiftesysteem 3

Voorwaarden:

  • Iedere verwarmer kan d.m.v. thermostaatkraan beperkt ingesteld worden.
  • Er bevindt zich in de ruimte een eigen thermostaat, welke de individuele verwarmers in de ruimte direct kan aansturen. Zie opmerking hier beneden.
  • Iedere verwarmer kan zijn eigen afgifte beperkt regelen.
  • Zoneregeling

Aantal zones: Minimaal 1 zone per ruimte.

Tegenwoordig zijn er ook slimme radiatorkranen, die via een smartphone, tablet of computer zijn te bedienen.

Radiator met thermostatische afsluiter

Afsluiter: zonder thermostaat, met thermostaat, draadloos

Opmerking:
De temperatuur kan in iedere ruimte zowel naar boven en naar beneden worden bijgesteld tot een bepaalde marge.
Een regeling in de woonkamer met thermostatische kranen in de slaapkamers (1) valt hier niet onder, omdat warmte in de slaapkamers alleen geleverd kan worden als de regeling in de woonkamer vragend is. Dus wanneer het verwarmingssysteem actief is.

4. Automatische temperatuurregeling per ruimte met handmatig overrulen (aan/uit) en adaptieve regeling.

Hetzelfde als 3, maar met daarbij een weersafhankelijke regeling. Er wordt continue rekening met wat voor temperatuur het buiten is en de thermostaat stuurt op basis daarvan de ketelwatertemperatuur aan.

De buitentemperatuur en warmwatertemperatuur, bepaald het inschakeltijdstip. Dit geeft een hoger comfort en lager verbruik.

Verschillende buitenvoelers, plaatsing aan de Noorzijde van de woning.

5. Centrale aanvoertemperatuurregeling.

Er is sprake van een regeling op één punt (centraal en weersafhankelijk). De temperatuur wordt verder niet in de ruimten geregeld.

Voorwaarden:

  • Geen naregeling op meer dan 90% van de verblijfsruimten in de rekenzone.

Zones: 1

6 & 7. Regeling gecertificeerd volgens EN 215/EN 15500 en Verklaring volgens EN 215/EN 15500.

Er moet bewijsmateriaal aanwezig zijn dat er volgens deze norm wordt geregeld en op welke wijze & bewijzen moeten worden opgenomen in projectdossier.

  • NEN-EN 15500 voor elektronische regelaars.
  • NEN-EN 215 voor thermostatische regelaars.

8. 2-standen regelaar (luchtverwarming.

Gewoon aan of uit.

9. PI-regeling (luchtverwarming.

De ingestelde waarde wordt vergeleken met de gemeten waarde en via een ingestelde regeling wordt de temperatuur gehandhaafd.
PI staat voor Proportioneel en Integrerend, een bekende regeling binnen de regeltechniek, welke op verschillende manieren kan worden ingesteld.

Opmerking:
Een regeling van het afgiftesysteem moet worden toegekend als minimaal 90% van het aantal verblijfsruimten van de regeling zijn voorzien.

KEGO

Twee warmteafgiftesystemen
https://portaal.stichtingkego.nl/support/solutions/articles/101000457474-twee-warmteafgiftesystemen

Hoe moet je omgaan met de situatie bij utiliteitsgebouwen waarin binnen één ruimte meer dan één verwarmingssysteem (of koelsysteem) aanwezig is?

75.1 – basis – detail

Hier kunnen 2 scenario’s (A of B) aan de hand zijn:

A.    Het betreft 2 aparte verwarmingssystemen met ieder hun eigen afgiftesysteem, bijvoorbeeld 1:CV-ketel + distributie water + radiatoren; plus 2:VRF+fancoil (Airco). 

Er kan aan de ruimte slechts één verwarmingssysteem toegekend worden. Welk systeem dat is, wordt op volgorde van de hieronder weergegeven prioritering bepaald door:

1.    het verwarmingssysteem dat het grootste aandeel van de warmtebehoefte van de rekenzone dekt. Als uit een actuele regeltechnische omschrijving blijkt welk systeem het grootste aandeel in de warmtelevering heeft, moet dat systeem worden gekozen;

2.    Je houdt het systeem met de hoogste ontwerpsysteemtemperatuur aan. NB: een systeemtemperatuur is alleen van toepassing op systemen met waterdistributie, dus niet op VRF of elektrische IR verwarming;

3.    Als een ruimte is voorzien van lokale elektrische (bij)verwarming (IR-panelen, elektrische kachels) en deze is duidelijk aanwezig (in meer dan ca. 15% de ruimte, bij alle werkplekken, bij de zithoeken, enz), dan moet deze lokale elektrische (IR) verwarming als hoofdverwarmingssysteem worden gezien voor de betreffende ruimte en ervan worden uitgegaan dat deze de volledige warmtevraag levert.

4.    In andere gevallen wordt er vanuit gegaan dat het systeem dat het grootste vloeroppervlakte in de rekenzone verwarmt ook het grootste aandeel van de warmtebehoefte van de rekenzone dekt. Ook voor een systeem dat de basislast levert (bijvoorbeeld betonkernactivering, vloerverwarming), wordt ervan uitgegaan dat dat systeem het grootste aandeel van de warmtebehoefte van de rekenzone dekt.

Een warmteopwekker die alleen gekoppeld is aan de luchtbehandeling, waarbij de luchtbehandeling niet het primaire warmteafgiftesysteem betreft (omdat er bijvoorbeeld radiatoren ov vloerverwarming aanwezig zijn), mag niet als preferent toestel worden ingevoerd. Zie ook H9.2.

B.    Het betreft 2 afgiftesystemen van hetzelfde verwarmingssysteem, radiatoren en vloerverwarming zijn aangesloten op hetzelfde distributiesysteem en opwekker(s). Hier kan slechts één afgiftesysteem aan de ruimte toegekend worden. Dat is het afgiftesysteem met de hoogste prioriteit in H9.5.2

Het kan voorkomen dat binnen één verwarmingssysteem de ene ruimte verwarmd wordt door het ene afgiftesysteem en een tweede ruimte met een ander afgiftesysteem, bijvoorbeeld: de kantoren met vloerverwarming en de kantine met radiatoren. In dat geval is er nog steeds sprake van één verwarmingssysteem. Bij de bepaling van de klimatiseringszones is het in dat geval dus niet nodig (mag wel) om op basis van het verwarmingssysteem te splitsen in meerdere klimatiseringszones.

Als er twee verwarmingssystemen (dus twee gescheiden distributiesystemen) zijn met dezelfde opwekker, dan mag dit als één systeem beschouwd worden. Ook in het geval dat er verschillende afgiftesystemen zijn. Splitsen mag dan wel, maar is niet verplicht.

Scan de code