16.3 Belemmeringen

Belemmering:
Belemmeringen zijn obstakels vanaf de grond die schaduw werpen op het oppervlak bij een lage zonnestand komend vanaf de bovenkant.

Bepaal of er sprake is van belemmeringen op het eigen perceel.

Opmerking:
Bij een appartement behoort de de bovenbuurman niet tot het perceel van de onderbuurman.

Afb. 16.4 Bepaling van de relatieve hoogte van een belemmering (bovenaanzicht) (Zij-aanzicht)

Bij een belemmering moet je de relatieve hoogte (Hb) kunnen bepalen en dat gaat als volgt:

  1. Bepaal het hoogsteverschil gemeten tussen het midden van het zonontvangend vlak (paneel) en het bovenste punt van het obstakel.
  2. Bepaal de afstand tot aan de belemmering.
  3. De relatieve hoogte Hb = H/A.
  4. Indien Hb < 0,36, wordt de betreffende belemmering buiten beschouwing gelaten (αb≤ 20º).

Zijbelemmering:
Obstakels vanaf de grond die schaduw werpen op het oppervlak bij een lage zonnestand komend vanaf de zijkant.

Bepaal of er sprake is van zijbelemmeringen op het eigen perceel.

Afb. 16.5 Bepaling van de relatieve breedte van een zijbelemmering (bovenaanzicht)

Bij een zijbelemmering moet je de relatieve breedte (Bb) kunnen bepalen en dat gaat als volgt:

• Indien bb > 3,73, wordt de betreffende belemmering buiten beschouwing gelaten (βb ≥ 75º)
• Zijbelemmeringen links en rechts moeten worden opgenomen.
• Bij verschillende zijbelemmeringen: bepaa de kleinste waarde voor bb

  1. Bepaal de breedte gemeten tussen het midden van het zonontvangend vlak (paneel) en het verste punt van het obstakel.
  2. Bepaal de afstand vanaf het midden tot aan de zijbelemmering.
  3. De relatieve breedte = B/A.
  4. Indien Bb > 3,73, wordt de betreffende belemmering buiten beschouwing gelaten (βb ≥ 75º).
Scan de code