Zoeken en EP-begrippen

Begrippen EP

Je zult in deze opleiding tot EP-adviseur veel nieuwe termen tegenkomen, waarvan je misschien nog nooit gehoord hebt en uitleg wordt hier natuurlijk over gegeven.
In de ISSO is ook een begrippenlijst gegeven, deze wordt hier niet herhaald. Begrippen worden vanzelf duidelijk, maar als je ze snel wilt terug lezen, vind je ze hier en in de ISSO bij elkaar.

Collectieve (gebouw)installatie
Gebouwgebonden installatie die warmte, koude, ventilatielucht, warmtapwater en/of elektriciteit binnen het eigen perceel levert aan twee of meer energieprestatieplichtige delen van een gebouw of meerdere gebouwen. De opwekkers zijn vaak centraal opgesteld op het eigen perceel.

Opmerking bij de term: Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een voorziening die wordt gebruikt:

  • door meerdere woningen in een woongebouw, of
  • in een combinatiegebouw met zowel woningbouw- als utiliteitsbouwfuncties, waarbij die voorziening gebruikt wordt in zowel het woning- als utiliteitsbouwgedeelte, of
  • in een utiliteitsgebouw waarbij de gemeenschappelijke installatie energie levert aan meerdere gebouwdelen of gebruiksunits waarvoor een afzonderlijk energielabel wordt opgesteld.

Indien de installatie warmte, koude, ventilatielucht, warmtapwater en/of elektriciteit levert aan gebouwen buiten het eigen perceel, is er sprake van externe warmte-, koude- of warmtapwaterlevering.

Als de adviseur toegang heeft tot de technische installatie, dan moet onder de volgende voorwaarden een installatie toch als ‘collectief’ beschouwd worden:

  1. De percelen waaraan de gebouwgebonden installaties leveren zijn aangrenzend en de installatie staat op één van de percelen. Hierbij mag openbaar gebied (grond of water) buiten beschouwing gelaten worden; en
  2. De kortst gemeten afstand tussen de energieprestatieplichtige gebouwen of delen van gebouwen en het gebouw waarin de installatie staat is maximaal 50 meter; en
  3. Het betreft een bestaande situatie opgeleverd voor 1 januari 2021 waarbij de installaties leveren aan gebouwen gelegen op ten hoogste drie percelen.

Individuele installatie

Installatie die slechts aan één energieprestatieplichtig gebouw of gebouwdeel woning warmte, koude, ventilatielucht en/of warmtapwater levert.

Opmerking:
een installatie die aan één EP-plichtige woning en één of meer niet-EP-plichtig(e) gebouwde(e)l(en) levert, valt ook onder een individuele installatie.

Energieprestatie-indicator:

Eén of meer parameters die bij de energieprestatie-berekening door de software als output gegenereerd worden;

Energieprestatie-rapport:

Vastlegging van de energieprestatie van een woning of woongebouw. Het energieprestatie-rapport levert alle parameters waarmee getoetst kan worden of aan de energieprestaties uit de regelgeving wordt vodaan (energiebehoefte, primair fossielenergiegebruik, aandeel hernieuwbare energie, energielabel, nettowarmtevraag, TO-juli);

Energieprestatie-rapport:

Vastlegging van de energieprestatie van een woning of woongebouw. Het energieprestatie-rapport levert alle parameters waarmee getoetst kan worden of aan de energieprestaties uit de regelgeving wordt vodaan (energiebehoefte, primair fossielenergiegebruik, aandeel hernieuwbare energie, energielabel, nettowarmtevraag, TO-juli);

EP1 
EP1 geeft de berekende energiebehoefte per jaar in kWh/m2 gebruiksoppervlak.

EP2
EP2 is het berekende primair fossiel energiegebruik per jaar in kWh/m2 gebruiksoppervlak.

EP3
EP3 is het berekende aandeel hernieuwbare energie in procenten.

TOJuli indicator:

TOjuli, max is een inschatting van het risico op oververhitting bij woningen.

Door de goede isolatie bij nieuwbouwwoningen en warmer wordende zomers, kunnen deze oververhitten in de zomer, dus bij het ontwerp moet hier rekening mee gehouden worden, zodat deze in de zomer ook zuinig is. Dit kan b.v. ventilatiekoeling, waarbij ‘s nachts de woning met inkomende buitenlucht wordt gekoeld.
Als een woning of appartement is voorzien van een actief koelsysteem met voldoende capaciteit, werd tot voor koort de TOjuli-indicator op 0 gesteld, maar in de praktijk blijkt dat er nog steeds oververhitting plaats vindt, b.v. vloerkoeling is vaak niet voldoende. De indicator wordt op maximaal 1.2 gesteld wanneer de woning bij veel dagen oververhit raakt. Het geeft dus aan hoe comfortabel de woning is in de zomer gebaseerd op de heetste maand Juli.

EP-W/B adviseur:

Energie Prestatie Adviseur Woninbouw, Basis. Alleen bestaande woningbouw mag van voor 2021 mag opgenomen worden.

EP-W/D adviseur:

Energie Prestatie Adviseur Woningbouw, Detail ook nieuwbouw (na 2020) en nog te bouwen woningen (omgevingsvergunning) mogen met deze kwalificatie opgenomen worden.

Omgevingsvergunning

Nodig wanneer er een bouwwerk gebouwd wordt die voor mogelijke hinder kan zorgen voor mens en milieu. Je moet deze vergunning aanvragen via het Omgevingsloket. Het omgevingsloket  is in het leven geroepen met de invoering van de Wabo wet. Het dient als het centrale loket voor de aanvraag van een vergunning en met name de omgevingsvergunning. De functie van het...nl. De gemeente ambtenaren van jouw gemeente bepalen of je de vergunning krijgt of niet.

Als voor een nieuw gebouw de energieprestatie moet worden bepaald in het kader van de omgevingsvergunning, dan kan van de nog niet gebouwde woning de informatie niet ter plekke worden opgenomen en gecontroleerd. Na oplevering vindt een controle plaats of alle gebouwkenmerken en energiebesparende maatregelen uit de EP-berekening ook daadwerkelijk aanwezig zijn. Zo niet, dan moet de energieprestatie met de werkelijk aanwezige woningkenmerken en energiebesparende maatregelen opnieuw bepaald worden.

BRL9500:

De BRL9500 certificering is een wettelijke verplichting wanneer een bedrijf energie- energieprestatie-rapporten wilt gaan opstellen én registreren bij RVO.

De BRL9500-W is een door de Harmonisatie Commissie Bouw (HCB) van de Stichting Bouwkwaliteit aanvaarde nationale beoordelingsrichtlijn waarin certificatieschema’s zijn beschreven die worden gehanteerd door elke certificatie-instelling die daarvoor door de Raad voor Accreditatie (RvA) is geaccrediteerd. Accreditatie door de RvA houdt in dat de uitvoering van het certificatieschema door de geaccrediteerde certificatie-instelling voldoet aan de eisen van NEN-EN-ISO/IEC17065.

Afmelden:

De EP-adviseur kan de Energieprestatie rapporten zelf afmelden indien zelf BRL9500 gecertificeerd. Dit is vaak niet het geval en hiervoor kan worden afgemeld via een ander gecertificeerd bedrijf (koepelorganisatie). Per afgemelde Energieprestatie wordt dan een klein bedrag betaald worden.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO):

Beheert het landelijk gegevensbestand van energieprestaties van gebouwen.

Het is een agentschap van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze dienst ontstond op 1 januari 2014 uit een fusie van de Dienst Regelingen en het Agentschap NL. De RVO heeft als taak het stimuleren van ondernemers bij duurzaam, agrarisch, innovatief en internationaal ondernemen. Enkele voorbeelden hiervan zijn subsidies, octrooien, aanbestedingskennis of schadeafhandeling.

NTA 8800:

De nieuwe rekenmethode voor de bepaling van de energieprestatie van een gebouw en de NTA vervangt hiermee de EPA-U en EPA-W. Vanaf 1 januari 2021 wordt bij nieuwe beoordelingen alleen de NTA 8800 gezien als rekenmethode om de energieprestatie te beoordelen. 

BRL9500, HCB en RvA:

De BRL9500-W is een door de Harmonisatie Commissie Bouw (HCB) van de Stichting Bouwkwaliteit aanvaarde nationale beoordelingsrichtlijn waarin certificatieschema’s zijn beschreven die worden gehanteerd door elke certificatie-instelling die daarvoor door de Raad voor Accreditatie (RvA) is geaccrediteerd. Accreditatie door de RvA houdt in dat de uitvoering van het certificatieschema door de geaccrediteerde certificatie-instelling voldoet aan de eisen van NEN-EN-ISO/IEC17065.

InstallQ:

Het centrale loket voor de installatiesector rondom kwaliteitsregelingen. Zij verlenen erkenningen aan vakbekwame installateurs en bedrijven en informeren over certificeren. Daarnaast accrediteert InstallQ opleidingen en examens in installatietechniek.

Inklappen

Volgens het Nader Voorschrift mag in sommige gevallen forfaitair gerekend worden. Dit mag vaak alleen als bepaalde informatie ontbreekt.

Forfaitair

Er wordt met een aangenomen (conservatieve) waarde wordt gerekend.  

Representativiteit

Elke woning krijgt een eigen label. Als er tussen meerdere woningen in één project geen of zeer kleine verschillen zijn, en dat is aantoonbaar, dan hoeft er niet voor elke woning een bouwdossier te worden opgebouwd. In ISSO 82.1 staan in dit verband regels over representativiteit.

Energie Prestatie Vergoeding (EPV)

De energieprestatievergoeding (EPV) betaalt de huurder als de huurwoning zeer energiezuinig is. En heel veel energie opwekt. Hoe beter uw woning geïsoleerd is, hoe hoger de EPV mag zijn. De maximale vergoeding wordt elk jaar per 1 juli aangepast aan de inflatie.

Thermische schil

Hiermee wordt bedoeld de isolerende laag aan de buitenzijde van de woning. Ook wel gebouw- of bouwkundige schil genoemd. Wanden, daken en vloeren grenzend aan de buitenlucht of grond zijn geïsoleerd om kou te weren en warmte binnen te houden. De thermische schil is de jas van de woning en goed luchtdicht bouwen is de ritssluiting.

Thermische zone (TZ)

  • Gebouw of gebouwgroep waarvoor de EP wordt berekend.
  • Aangrenzende ruimtes van de woning die voor EP certificering als verwarmd beschouwd moeten worden.
  • Wanden naar buiten/grenzend aan buiten behoren tot Thermische schil.
  • TZ wordt bepaald d,m,v, een lijst ruimtes die altijd tot TZ behoren en overige ruimtes die met een beslisschema worden bepaald (7.1).

Klimatiseringszone (KZ)

  • Deel van gebouw met dezelfde klimatiseringssystemen of combinatie ervan
  • Eén of meerdere ruimtes van de woning met identiek gedeeld klimaatsysteem
  • “verschillende types Klimaatinstallaties”
  • Bijlage J heeft het over “gescheiden installaties” en “fysiek gescheiden systemen”
  • Een extra KZ ontstaat indien in een deel groter dan 10% van de TZ een ander type klimaatsysteem aanwezig is

Rekenzone (RZ)

Een RZ is een nadere onderverdeling van een Klimatiseringszone

Knieschot

Een “wandje” dat bij hellende daken op de zoldervloer evenwijdig aan de muurplaat wordt aangebracht, waardoor de scherpe punt tussen dak en vloer komt te vervallen.

Spouw

  • Een spouw is een luchtruimte tussen twee bouwkundige elementen, aanwezig bij bijvoorbeeld een spouwmuur of een houten vloer waarbij tegen de balken isolatiemateriaal is aangebracht of een houten vloer waarbij aan de onderzijde van de balken van de vloer een plafond is aangebracht.
  • Een luchtlaag tussen dakpannen en het dakbeschot mag niet als spouw worden aangemerkt
  • Indien een aanwezige spouw in een constructie in verbinding met de buitenlucht staat via één of meer niet-afsluitbare openingen met een totale oppervlakte (dus gesommeerd) van minimaal 0,2m2, dan is er geen sprake van een spouw. Voor de constructie tot aan de spouw geldt dat deze grenst aan de buitenlucht.

Loggia

Een loggia is een inpandig balkon: een aan drie zijden gesloten buitenruimte welke zich binnen het gevelvlak bevindt.

Infiltratie

Ongecontroleerde ventilatie via luchtlekken in de gebouwschil (b.v. via kieren) staat gelijk aan energieverlies, condensatieproblemen en ongezonde neveneffecten. En dat heeft tevens een negatief effect op het energielabel.

Gebouwmassa

De gebouwmassa is afhankelijk van het gebruikte materiaal en bepaalt hoe snel en hoe lang de warmte of koelte in een gebouw wordt opgenomen. In deze betekenis gaat het om de daadwerkelijke massa van het gebouw (dikte van muren, vloeren etc.) waardoor veel of weinig warmte kan worden vastgehouden.

Isolatiebegrippen

Warmtegeleidbaarheid

De warmtegeleidbaarheid van een materiaal. Ze geeft de gemeten waarde aan van een hoeveel warmte een materiaal doorlaat in 1 seconde bij een dikte van 1 meter, een oppervlakte van 1 m² en bij een temperatuursverschil van 1 Kelvin tussen beide zijde.

Hoe lager de thermische geleidbaarheid, hoe beter het materiaal isoleert.

De warmtegeleidingscoëfficiënt geeft deze waarde aan en is een materiaalconstante. Ze wordt uitgedrukt in W/mK. Deze coëfficiënt is afhankelijk van de temperatuur, vochtgehalte en dichtheid. De lambda-waarde houdt geen rekening met de dikte van het materiaal. Als een bepaald materiaal een grotere lambda-waarde heeft dan een ander, kan deze hetzelfde isolerende effect hebben met een dikkere laag.

U-waarde

Een U-waarde wordt uitgedrukt in W/m²K. De U-waarde van een constructiedeel (b.v. dak, muur, gevel of vloer) geeft aan hoeveel warmte er per seconde en per vierkante meter verloren gaat als het temperatuurverschil tussen binnen en buiten 1°C is. De U is het symbool voor de warmtedoorgangscoëfficiënt. De U-waarde wordt bepaald door de verschillende materiaallagen waaruit het constructiedeel bestaat: dikte en lambda-waarde van elk materiaal. Hoe lager de U-waarde van een constructiedeel, hoe minder warmte er verloren gaat, dus hoe betere isloatie.

Bij beglazing is dit ook de warmtedoorlaatbaarheid en is het omgekeerde van de weerstandswaarde (Rc-waarde). Hoe hoger de U-waarde, hoe slechter de isolatie van het raam. Let op onderstaande waarden zijn van de beglazing.

  • Ug-waarde (‘g’ staat voor glas) geeft de U-waarde enkel van het glas zelf. De Ug-waarde van het glas mag tot 1.1W/m²K zijn volgens de EPB-regelgeving.
  • Uf-waarde (‘f’ staat voor frame) geeft weer hoeveel warmte er verloren gaat via het raamprofiel. PVC scoort op dit vlak vaak beter dan hout en aluminium. Met stalen ramen is het meestal niet mogelijk om binnen de toelaatbare eisen te blijven.
  • Uw-waarde (‘w’ staat voor window) geeft mee hoeveel warmte er verloren gaat door het volledige raam. Hierbij wordt rekening gehouden met
    – het glas (Ug)
    – het profiel (Uf)
    – de afstandshouders (datgene wat je glasbladen van elkaar scheidt)

Lambda-waarde (λ)

De lambda-waarde geeft de warmtegeleidbaarheid van een materiaal aan (de isolerende werking). Ze wordt uitgedrukt in W/mK. Hoe hoger de waarde is, hoe beter de warmte geleid wordt en dus hoe minder goed het materiaal isoleert.

Dat betekent niet dat materialen met een lage lambda-waarde altijd beter isoleren dan een materiaal met een iets hogere waarde. De hogere (slechtere) waarde kan gecompenseerd worden door de dikte van het materiaal.

R-waarde

De R-waarde geeft het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag aan, vaak gebruikt als isolerende waarde van dubbelglas, muren, vloeren, daken. De R-waarde is de warmteweerstand van een materiaallaag en wordt uitgedrukt in m2K/W. Hoe groter R, hoe groter de weerstand die de warmtedoorgang ondervindt en hoe beter het materiaal isoleert.

R-waarde

De R-waarde of de warmteweerstand geeft het isolerend vermogen aan van een materiaal, of anders gezegd: de R-waarde is de mate waarin het materiaal het warmteverlies tegenhoudt. De R-waarde wordt uitgedrukt in m²K/W.

Hoe hoger de R-waarde, hoe minder warmte het materiaal doorlaat, hoe beter isolerend.

De R-waarde wordt berekent door de dikte van het materiaal, in meter, te delen door de lambda-waarde. Dikte van het materiaal (m) / lambda-waarde = R
Hoe dikker het materiaal, hoe beter dat materiaal isoleert. Een dubbel zo dikke laag heeft proportioneel een dubbel zo grote warmteweerstand.

Transmissieverlies

Alle warmteverliezen via de scheidingsconstructies tussen het gebouw en de buitenomgeving, de bodem en de aangrenzende onverwarmde ruimten. De grootte van de transmissieverliezen hangt af van de grootte van de verliesoppervlakken, de isolerende kwaliteit van de constructiedelen en de eventuele aanwezigheid van koudebruggen. Door de transmissieverliezen te beperken, kunnen grote hoeveelheden energie bespaard worden.

RD-waarde

De RD-waarde of R-Declared waarde is de warmteweerstand van een materiaal, opgegeven door de fabrikant volgens NEN-EN 13162. Hoe hoger de RD-waarde, hoe beter het isolerende vermogen van het materiaal, oftewel hoe beter het materiaal in staat is om in de winter de warmte in uw huis te houden en in de zomer de warmte buiten.

RC-waarde

De Rc-waarde is de totale warmteweerstand van een constructie, d.w.z. de weerstand van een constructie tegen warmte doorgang. Hoe hoger de Rc-waarde, hoe beter het isolerende vermogen van de constructie. De Rc-waarde wordt berekend volgens de NEN 1068:2001 of de NPR 2068:2002 met de volgende formule: Rc = { (som Rm + Rsi + Rse) / (1 + a) } – Rsi – Rse (m2.K/W)

EPC

EPC staat voor Energie Prestatie Coëfficiënt. Deze coëfficiënt geeft de energieprestatie van een (nieuwbouw)woning of utiliteitsgebouw aan. Deze wordt berekend op basis van de gebouweigenschappen, de gebouwgebonden installaties en een gestandaardiseerd bewonersgedrag.

PUR

Polyurethaan isolatie is een thermohardend schuim dat al sinds 1937 bekend is. Het wordt veelvuldig toegepast in allerlei industrieën, zoals de schoenenindustrie, de auto-industrie, de lijmindustrie en natuurlijk in de isolatie-industrie vanwege de uitstekende isolatiewaarden van het product. Wist u bijvoorbeeld dat polyurethaan isolatie (PUR) tegenwoordig in bijna alle nieuwe koelkasten wordt toegepast? Polyurethaan isolatie, afgekort PU of PUR, behoort tot de polymeren, en kent vele verschillende toepassingen. Polyurethaan isolatie staat garant voor een optimale thermische isolatie.
Kingspan Insulation benut de uitstekende isolerende eigenschappen van polyurethaan voor het produceren van isolatiematerialen voor bijvoorbeeld hallenbouw, dakisolatie, vloerisolatie, spouwisolatie, isolatie in klimaattechniek, afbouw en overige industriële toepassingen.

PIR

Polyisocyanuraat isolatie (PIR) is feitelijk een doorontwikkeling van polyurethaan isolatie (PUR). Het bevat nog betere isolatiewaarden dan polyurehtaan isolatie (PUR) en heeft bovendien betere brandveilige eigenschappen.

Video met over de isolatiebegrippen

Koudebrug

Op plaatsen waar de thermische isolatie niet doorloopt of niet aansluit, gaat veel warmte verloren en dringt koude naar binnen. Dat noemt men een koudebrug. Als warme lucht afkoelt, bijvoorbeeld in contact met een koud oppervlak waar isolatie ontbreekt, kan condensatie ontstaan. Condensatie betekent vocht op het oppervlak en kan aanleiding geven tot geurhinder, schimmelvorming etc.

Twee stenen onderbreken de isolatie en laten de binnenmuur in contact komen met de buitenmuur.

De dakisolatie en sluit op de ongeïsoleerde muur aan.

De dakisolatie en de muurisolatie sluiten aan zonder onderbreking: een koudebrug is vermeden.

Transmissieverliezen

De transmissieverliezen omvatten alle warmteverliezen via de scheidingsconstructies tussen het gebouw en de buitenomgeving, de bodem en de aangrenzende onverwarmde ruimten. De grootte van de transmissieverliezen hangt af van de grootte van de verliesoppervlakken, de isolerende kwaliteit van de gebruikte constructiedelen en de eventuele aanwezigheid van koudebruggen. Door de transmissieverliezen te beperken, kunnen grote hoeveelheden energie bespaard worden bij het verwarmen van het gebouw.

Vide

Een vide (leegte in het Frans) in een gebouw is een open ruimte die over twee of meer verdiepingen doorgaat.

Een vide ontstaat als een deel van een verdiepingsvloer wordt weggelaten waardoor uitzicht op een lagere verdieping ontstaat.

Schalmgat

Het schalmgat is het vrije, open gedeelte in een trappenhuis, ofwel het gat dat door de binnenbomen van een trap gevormd wordt.

Nis

Een nis is een uitsparing in de dikte van een muur. Door het aanbrengen van een nis komt het muurvlak over een bepaalde hoogte en breedte dieper te liggen dan de rest van de muur.

Uitsparing in muur

Rechtens verkregen niveau

Bij verbouwingen geldt vaak het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat de kwaliteit van een bouwwerk na de verbouwing niet slechter mag zijn dan voor de verbouwing.

luchtdichtheidsmeting/qv10-waarde

Een meting waarbij de luchtdoorlatendheid van een gebouw wordt gemeten middels een blowerdoortest. Deze meting wordt zowel op overdruk als onderdruk uitgevoerd. Het meetresultaat wordt uitgedrukt in een infiltratiewaarde welke kan worden getoetst aan het bouwbesluit of een ontwerpberekening. Voor nieuwbouw wordt deze luchtdichtheid verwerkt in de Energie Prestatie-berekening bij de bouwaanvraag en noemt men het de infiltratiewaarde of qv10 waarde.

Beglazing

  • In kozijnwerken opgenomen transparante vlakken zoals glas of polycarbonaat.
  • Lichtkoepels, lichtstraten en dakramen.
  • Glazen bouwstenen worden beschouwd als beglazing. Deze dienen als aparte bouwdelen te worden beschouwd. In nagenoeg alle gevallen bestaan glazen bouwstenen uit twee glasvlakken. (zie §8.2.1 onder beglazing).

Paneel

  • In kozijnwerken opgenomen niet licht doorlatende vlakken, met zichtbaar stijl- en regelwerk.
  • Plaatwerk dat aan de binnen- of de buitenzijde tegen een kozijn is bevestigd en waarvan niet aantoonbaar is dat tussen de plaat en het kozijn een thermische onderbreking aanwezig is of dat het kozijn geen thermische koudebrug vormt.
  • Bij een aantoonbare thermische onderbreking aan de binnen- en/of de buitenzijde van het kozijn, dient een plaat tegen het kozijn te worden opgenomen als gesloten geveloppervlak.

Het vaststellen van panelen gebeurt aan de binnenzijde

bruto geveloppervlak

De oppervlakte van de gevel inclusief kozijnwerken

Netto geveloppervlak

De bruto oppervlakte van de gevel minus de oppervlakte van de kozijnwerken (wordt bepaalt door de software)

Suskast:

Een suskast is een ventilatierooster met een verhoogde geluidwering. Suskasten worden toegepast in situaties waarin een gebouw natuurlijk wordt geventileerd en onderhevig is aan een geluidsbelasting door bijvoorbeeld wegverkeer, railverkeer of industrie. De extra geluidwering wordt verkregen door de lucht langs absorberende materialen te leiden, die een deel van de geluidenergie absorberen.

Dakfactor

Als de lengte of breedte van het dak niet te bepalen is, kan het dakoppervlak worden bepaald met de dakfactor. Als de oppervlakte van de onderliggende vloer en de dakhelling bekend is gebruik dan tabel 8.4 en vermenigvuldig deze met de dakfactor (gebaseerd op de stelling van pythagoras). Interpoleer de tussenliggende waarden.

Stelling van Pythagoras

Dakdoorvoeren

Pijpen welke van binnen door het dak naar buiten gaan.

  • Aangrenzende onverwarmde ruimte (AOR)
    Aangrenzende ruimte die niet wordt verwarmd of gekoeld voor mensen om in te verblijven. Denk hierbij aan een buitenbergruimte of een industriefunctie die wordt verwarmd voor een bedrijfsproces in het gebouw, zoals een tuinbouwkas. In een AOR kan de binnentemperatuur lager worden dan 15 °C.
  • Aangrenzende onverwarmde serre (AOS)
    Aangrenzende ruimte die niet wordt verwarmd of gekoeld voor het verblijven van mensen, met significante zoninstraling. Van significante zoninstraling is sprake als de som van de geveloppervlakten van de aangebouwde ruimte uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat en de som van de dakoppervlakken van de aangebouwde ruimte uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat. De 50%-regel geldt zowel afzonderlijk voor de gevel als het dak. Dit betreft vooral serres, buiten de thermische zone gelegen atria en balkon- en galerijafdichtingen.
  • Aangrenzende ruimte
    Buiten de begrenzing voor de energieprestatieberekening gelegen besloten ruimte, die grenst aan (een deel van) het beschouwde gebouw waarvoor de energieprestatieberekening wordt uitgevoerd.
  • Aangrenzende verwarmde ruimte (AVR)
    Aangrenzende ruimte die wordt verwarmd of gekoeld voor het verblijven van mensen. Voorbeelden zijn een industriefunctie die wordt verwarmd voor het verblijven van mensen, of een industriefunctie waarbij de binnentemperatuur door het productieproces continu op minimaal 15 °C blijft.
  • Bouwjaar
    Jaartal waarin de aanvraag voor de vergunning is ingediend, zoals vermeld staat op de bouwvergunning van het desbetreffende gebouw(deel) of, als de bouwvergunning niet (meer) beschikbaar is, het jaartal dat als bouwjaar staat geregistreerd bij het kadaster of zoals dat wordt gehanteerd bij de WOZ-bepaling.
  • Gebouwtype
    We onderscheiden twee soorten gebouwtypen:
    1. Eengezinswoningen: een gebouw met daarin de woonfunctie bestemd voor slechts één huishouden waarbij de toegang aan het aansluitende terrein ligt (en dus niet via een gemeenschappelijke verkeersroute moet worden bereikt)
    2. Woongebouw: gebouw of gedeelte daarvan met meer dan één woonfunctie (en nevenfuncties van de woonfuncties), waarin meer dan één woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute.
  • Hulpenergie
    Elektrische energie – gebruikt door gebouwinstallaties voor verwarming, koeling, ventilatie, bevochtiging, warmtapwaterbereiding en elektriciteitsopwekking – ter ondersteuning van energietransformatie die nodig is om de energiebehoefte te dekken. Dit omvat energie voor hulpventilatoren, pompen, elektronica, combiketels, etc.
  • Rechtens verkregen niveau
    Het rechtens verkregen niveau in het kader van de energieprestatie is de kwaliteit van (eisen aan) het bouwwerk zoals vastgelegd in de oorspronkelijke bouwvergunning.
  • Rekenzone
    Gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor de berekening van het energiegebruik voor verwarming, koeling, bevochtiging en ventilatie als één geheel moet worden beschouwd.
  • Sterk geventileerde (aangrenzende) ruimte
    Ruimte die met buitenlucht wordt geventileerd via niet-afsluitbare ventilatieopeningen, waarbij de ventilatiecapaciteit van die ruimte minstens 3 dm³/s per m² gebruiksoppervlakte is of de niet-afsluitbare openingen een gesommeerde oppervlakte hebben van 0,2 m² of meer in directe verbinding met buitenlucht. (Garage is standaard sterk geventileerd)
  • Thermische brug
    Gedeelte van de uitwendige scheidingsconstructie waar de warmtestroom significant verandert door: Gehele of gedeeltelijke doorbreking van de bouwschil door materialen met een verschillende warmtegeleidingscoëfficiënt en/of;
    -Dikteveranderingen in de bouwschil en/of;
    -Aansluitingen tussen verschillende scheidingsconstructies, zoals wanden, vloeren en plafonds.
  • Thermische zone
    Gebouw of groep gebouwdelen waarvoor de energieprestatie wordt berekend.
  • Woningpositie
    Binnen het gebouwtype ‘eengezinswoningen’ worden zeven woningposities onderscheiden: tussenwoning, hoekwoning, vrijstaande woning en twee-onder-een-kap woning, vakantiewoning, woonboot en woonwagen.
  • Bij het gebouwtype ;’woongebouw’ geeft de woningpositie de ligging van de woning binnen het appartementengebouw aan.
  • Woonfunctie
    We onderscheiden twee soorten woonfuncties:
    1. Zelfstandige woonfunctie: woonfunctie die beschikt over een eigen toilet- en badruimte en een eigen opstelplaats voor een kooktoestel (= keuken);
    2. Niet-zelfstandige woonfunctie: woonfunctie waarbij men een gezamenlijke badruimte, toilet en/of opstelplaats voor een kooktoestel gedeeld wordt. Een woonfunctie waar alleen de badruimte deelt, is dus ook een niet-zelfstandige woonfunctie.
  • Woongebouw
    Gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan, waarin meer dan één woonfunctie ligt, die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute.
  • Appartement:
  • Een in een woongebouw (appartementencomplex) gelegen woning.
  • Belemmering:
    Alle obstakels gezien vanaf de grond worden als belemmeringen aangeduid, om het effect van beschaduwing te kunnen bepalen. Zij belemmeren de zonnestraling bij een zonnestand onder een bepaalde hoogte. Het betreft alleen belemmering van het eigen gebouw en/of perceel.
  • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl):
    Met de invoering van de Omgevingswet, vervalt het Bouwbesluit 2012 en worden de technische bouwvoorschriften opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, kortweg het Bbl [11].
  • Bivalent systeem:
    Bij bivalente opwekkers leveren meerdere typen opwekkers alle warmte en koude die nodig zijn om de rekenzone te verwarmen en/of te koelen. Een eerste type opwekker levert een deel van het benodigde verwarmings- of koelvermogen. Een of meerdere hulpopwekkers leveren dan de rest van het benodigde vermogen. Warmtepompen en micro-WKK kunnen zijn uitgevoerd als bivalente systemen. Let op: er komen ook monovalente warmtepompen voor.
  • Bouwjaar:
    Jaartal waarin de aanvraag voor de vergunning is ingediend, zoals vermeld staat op de bouwvergunning van het desbetreffende gebouw(deel) of, als de bouwvergunning niet (meer) beschikbaar is, het jaartal dat als bouwjaar staat geregistreerd bij het kadaster of zoals dat wordt gehanteerd bij de WOZ-bepaling.
  • Bouwlaag:
    Deel van een gebouw, dat bestaat uit een of meer ruimten, waarbij de bovenkanten van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5 meter in hoogte verschillen.
  • Collectieve (gebouw)installatie:
    Gebouwgebonden installatie die warmte, koude, ventilatielucht, warmtapwater en/of elektriciteit binnen het eigen perceel levert aan twee of meer energieprestatieplichtige delen van een gebouw of meerdere gebouwen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een voorziening die wordt gebruikt: door meerdere woningen in een woongebouw, of in een combinatiegebouw met zowel woningbouw- als utiliteitsbouwfuncties, waarbij die voorziening gebruikt wordt in zowel het woning- als utiliteitsbouwgedeelte, ofin een utiliteitsgebouw waarbij de gemeenschappelijke installatie energie levert aan meerdere gebouwdelen of gebruiksunits waarvoor een afzonderlijk energielabel wordt opgesteld. Indien de installatie warmte, koude, ventilatielucht, warmtapwater en/of elektriciteit levert aan gebouwen buiten het eigen perceel, is er sprake van externe warmte-, koude- of warmtapwaterlevering. Als de EP-adviseur toegang heeft tot de technische installatie, dan moet je onder de volgende voorwaarden een installatie toch als ‘collectief’ beschouwen:De percelen waaraan de gebouwgebonden installaties leveren zijn aangrenzend en de installatie bevindt zich op één van de percelen (openbaar gebied zoals grond of water mag je buiten beschouwing laten) en; De kortst gemeten afstand tussen de energieprestatieplichtige gebouwen of delen van gebouwen en het gebouw waarin de installatie staat is maximaal 50 meter en; Het betreft een bestaande situatie opgeleverd voor 1 januari 2021 waarbij de installaties leveren aan gebouwen gelegen op ten hoogste drie percelen.
  • Combitoestel (installatie):
    Toestel of samenstel van toestellen waarin de functies voor verwarming en warmtapwaterbereiding zijn gecombineerd.
  • Daktype:
    Bij eengezinswoningen wordt bij de bepaling van de uitvoeringsvariant onderscheid gemaakt in het daktype.
    We onderscheiden drie soorten daktypen:
    1. Hellend dak of puntdak,
    2. Gedeeltelijk plat dak (minimaal 50% plat dak, geldt alleen voor vrijstaande woningen),
    3. Plat dak.Voor de bepaling van het daktype moet gekeken worden naar het daktype van het hoofdgebouw. Dakkappellen, uitbouwen en dergelijke worden daarbij buiten beschouwing gelaten.
  • Dauwpuntkoeling:
    Indirecte koeling van mechanisch toegevoerde ventilatielucht via een warmtewisselaar met een procesluchtstroom. Die procesluchtstroom bestaat uit een deel van deze gekoelde ventilatielucht, waarvan de waterverdamping in de warmtewisselaar zorgt voor temperatuurverlaging.
  • Declaration of Performance (DoP):
    De Declaration of Performance is een prestatieverklaring voor bouwproducten en moet worden meegeleverd bij een product dat van een CE markering is voorzien. De DoP wordt opgesteld door de fabrikant en geeft informatie over de belangrijkste prestaties van het product en het beoogde gebruik ervan. De DoP-verklaring dient in elk geval een verwijzing te hebben naar de betreffende geharmoniseerde norm.
  • Eigen perceel:
    Een perceel is een stuk grond waarvoor één rechtsorde geldt; dat wil zeggen dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht. De percelen worden geregistreerd bij het Kadaster. Een perceel heeft een uniek kenmerk, bestaande uit kadastrale gemeente, sectie en een perceelnummer. Dit kenmerk heet ‘kadastrale aanduiding’. Het eigen perceel betreft het perceel, met eigen kadastrale aanduiding, waarop het gebouw zich bevindt. Woningen met een gelijk pandID liggen op hetzelfde perceel.
  • Externe koudelevering:
    Levering van koude van buiten het eigen perceel. Zie voor nadere toelichting bij ‘Externe warmtelevering’.
  • Externe warmtelevering:
    Levering van niet gebouwgebonden warmte van buiten het eigen perceel, bijvoorbeeld voortkomend uit (een combinatie van):
  • 1. Een productieproces,
  • 2. Afvalverbranding,
  • 3. Een collectief warmtepompsysteem,
  • 4. Collectieve levering van zonnewarmte.
  • De levering van deze externe energie is niet beperkt tot gebouwen op het eigen perceel. De toelevering van de energie is meestal grootschalig en bedoeld voor een groter aantal afnemers aangesloten op een energienet (bijvoorbeeld stadsverwarming). Zie ook opmerking 2 bij het begrip collectieve (gebouw)installatie.
  • Opmerking: In het kader van de energieprestatie worden systemen met een elektrisch vermogen van 10 MW of meer in het algemeen gerekend tot de categorie externe warmtelevering.
  • Gebouwinstallatie:
  • Installatie die voldoet aan de volgende criteria:
    1. De installatie is vast verbonden met het gebouw,
    2.De installatie is overwegend gericht op het scheppen van de juiste condities voor het verblijven of werken in het gebouw,
    3. De gebouwinstallatie is niet gericht op het productieproces van het bedrijf.

Een gebouwinstallatie kan een of meer installatiefuncties vervullen (ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warmtapwaterbereiding, bevochtiging of ontvochtiging, verlichting, elektriciteitsopwekking) en een gebouwinstallatie kan bestaan uit meerdere gebouwinstallatie-onderdelen.
Gebouwtype:
We onderscheiden twee soorten gebouwtypen:

1. Eengezinswoningen: een gebouw met daarin de woonfunctie bestemd voor slechts één huishouden waarbij de toegang aan het aansluitende terrein ligt (en dus niet via een gemeenschappelijke verkeersroute moet worden bereikt);
2. Woongebouw: gebouw of gedeelte daarvan met meer dan één woonfunctie (en nevenfuncties van de woonfuncties), waarin meer dan één woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute.
Gebruiksfunctie:
Gedeelten van een gebouw die dezelfde gebruiksbestemming hebben (kantoorfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie, woonfunctie, etc.).
Gebruiksoppervlakte (GO):
Oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau tussen de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen, zoals uitgewerkt in paragraaf 4.5 van NEN 2580:2007 [6].
Geklimatiseerde ruimte:
Een ruimte met een systeem dat comfortcondities in die ruimte beheerst binnen vastgestelde grenzen. De ruimte is meestal bedoeld voor het verblijven van mensen.
Gemeenschappelijke ruimte:
Ruimte van een gebouw die ten dienste staat van twee of meer gebruiksfuncties.

Collectieve- (gebouw) of grote installatie:
Gebouwgebonden installatie die warmte, koude, ventilatielucht, warmtapwater en/of elektriciteit binnen het eigen perceel levert aan twee of meer energieprestatieplichtige delen van een gebouw of meerdere gebouwen.

Alleen de EP-plichtige gebouwdelen worden meegenomen bij het bepalen van de totale gebruiksoppervlakte waaraan de installatie levert.

Opmerking 1:
Technische ruimten met installaties en systemen kunnen buiten de TZ liggen. Deze technische ruimten worden beschouwd als AOR, AVR of sterk geventileerde ruimte.

Opmerking 2
Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een voorziening die wordt gebruikt voor alle units in het gehele gebouw.

Opmerking 3
De gemeenschappelijke installatie kan energie leveren aan meerdere gebouwdelen, enkele appartementen of utiliteitsunits waarvoor een afzonderlijk energielabel wordt opgesteld.

Alle woningen- en utiliteitsfunctie in het gebouw worden verwarmd door een collectieve installatie.

Externe warmtelevering

Indien de installatie warmte, koude, ventilatielucht, warmtapwater en/of elektriciteit levert aan gebouwen buiten het eigen perceel, is er sprake van externe warmte-, koude- of warmtapwaterlevering.

Als de adviseur toegang heeft tot de technische installatie, dan moet onder de volgende voorwaarden een externe installatie toch als ‘collectief’ beschouwd worden:

1. De percelen waaraan de gebouwgebonden installaties leveren zijn aangrenzend en de installatie staat op één van de percelen. Hierbij mag openbaar gebied (grond of water) buiten beschouwing gelaten worden.

2. De kortst gemeten afstand tussen de energieprestatieplichtige gebouwen of delen van gebouwen en het gebouw waarin de installatie staat is maximaal 50 meter.

3. Het betreft een bestaande situatie opgeleverd voor 1 januari 2021 waarbij de installaties leveren aan gebouwen gelegen op ten hoogste drie percelen.

Hoofdgebouw:
Het hoofdgebouw is het oorspronkelijke bouwdeel (zonder aanbouwen) voor zover deze ook het grootste deel van het te beoordelen gebouw betreft. Is een later aangebouwd deel groter dan kan het zijn dat het oorspronkelijke bouwdeel niet meer het hoofdgebouw is.
Hoofdgebruiksfunctie:
Hoofdcategorie van een gebouw, bijvoorbeeld een woongebouw, waarin naast woningen ook werkunits aanwezig zijn. De gebruiksfunctie met de grootste energieprestatieplichtige gebruiksoppervlakte in het gebouw.
Hulpenergie:
Elektrische energie – gebruikt door gebouwinstallaties voor verwarming, koeling, ventilatie, bevochtiging, warmtapwaterbereiding en elektriciteitsopwekking – ter ondersteuning van energietransformatie die nodig is om de energiebehoefte te dekken. Dit omvat energie voor hulpventilatoren, pompen, elektronica, etc.
Hulpfunctie:
Een tijdelijke functie van een ruimte, gebruikt om de ruimte aan een of meerdere andere gebruiksfuncties toe te kennen.
Individuele installatie:
Installatie die slechts aan één woning en één of meer niet-energieprestatieplichtig(e) gebouwde(e)l(en) warmte, koude, ventilatielucht en/of warmtapwater levert. Voorbeelden hiervan zijn een individueel toestel, individuele installatie, individuele verwarming, individuele afleverset, individuele DWTW-unit en individuele warmtekostenverdeling toegepast in één woning, woonfunctie of gebruiksfunctie.
Isolatiemateriaal:
Alle materialen met een warmtegeleidingscoëfficiënt die gelijk aan of kleiner is dan 0,1 W/m·K.
Kleine installatie:
Collectieve of individuele installatie die warmte, koude, ventilatielucht en/of warmtapwater levert aan een totale gebruiksoppervlakte van minder dan 500 m². Het betreft de gebruiksoppervlakte die door de installatie wordt bediend, en niet de totale gebouwoppervlakte. Als er meerdere installaties in een gebouw zitten kunnen dit toch ‘kleine installaties’ zijn. Een voorbeeld is een portiek met zes woningen van ieder 70 m² waarin één CV-ketel deze zes woningen voorziet van warmte. Een voorbeeld van een situatie die, ondanks de grootte van het totale gebouw, toch valt onder ‘kleine installatie’: een woongebouw van in totaal 600 m² met daarin kleine woningen van ieder 35 m², waarbij per vier woningen één CV-ketel is geïnstalleerd die deze vier woningen voorziet van warmte. Deze situatie wordt niet beoordeeld als een grote installatie, maar het betreft wel een collectieve installatie. Immers, de CV-ketels bedienen ieder een gedeelte van het gebouw met een gebruiksoppervlakte van minder dan 500 m² (namelijk 4 x 35 m² = 140 m²).
Klimatiseringssysteem:
Een systeem dat comfortcondities in een ruimte beheerst binnen vastgestelde grenzen. Klimatiseringssystemen omvatten centrale luchtbehandeling en andere afgiftetoestellen voor verwarming, koeling, bevochtiging, ontvochtiging en filtering die ten behoeve van geklimatiseerde ruimten zijn opgesteld.
Klimatiseringszone:
Delen van een gebouw met dezelfde klimatiseringssystemen of combinatie van klimatiseringssystemen.
Lichtwering:
Systeem dat is bedoeld om te verduisteren (bijv. bij vergaderzalen om presentaties te geven met een beamer). Deze voorziening is niet primair bedoeld als zonwering.
Luchtbehandelingskast:
Onderdeel van de klimaatinstallatie waarin de ventilatielucht een behandeling ondergaat. Luchtbehandeling kan bestaan uit verwarmen, koelen, bevochtigen en zuiveren van de lucht. De uchtbehandelingskast (LBK of AHU) omvat binnen deze definitie ook naverwarmers en/of nakoelers in de kanalen die tegelijkertijd meer dan één ruimte bedienen. Het centrale karakter wordt benadrukt door de voorwaarde dat het systeem meer dan één ruimte bedient. Bedient het systeem één ruimte, dan is het een lokaal apparaat dat geheel op de behoefte kan zijn afgestemd (bijvoorbeeld een LBK voor een sporthal of andere grote ruimte). Er is alleen sprake van een luchtbehandelingskast als het debiet van de luchtbehandelingskast groter is dan 1000 m³/h.
Mechanische ventilatie:
Toevoer van verse lucht en/of afvoer van verontreinigde lucht door een mechanisch aangedreven kracht (ventilator).
Monovalent systeem:
Monovalente opwekkers leveren alle warmte of koude, benodigd voor de verwarming en/of koeling, via één type opwekker.
Nominaal vermogen:
Het nominaal vermogen (Pn) is het door de fabrikant aangegeven maximale verwarmingsvermogen bij continu gebruik waarbij een maximaal rendement wordt behaald, ofwel, de output.
Overstek:
Alle obstakels – van boven gezien – worden voor de bepaling van het effect van beschaduwing als overstekken aangeduid. Zij zorgen voor beschaduwing bij een zonnestand boven een bepaalde hoogte. Voorbeelden zijn een luifel boven een raam en/of uitstekende dakrand boven een raam. Het betreft alleen overstekken van het eigen gebouw en/of perceel.
Rechtens verkregen niveau:
Het rechtens verkregen niveau in het kader van de energieprestatie is de kwaliteit van (eisen aan) het bouwwerk zoals vastgelegd in de oorspronkelijke bouwvergunning.
Recirculatie (van lucht):
Niet-verse retourlucht uit de rekenzone die opnieuw in de rekenzone wordt ingebracht.
Rekenzone:
Gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor de berekening van het energiegebruik voor verwarming, koeling, bevochtiging en ventilatie als één geheel moet worden beschouwd.
Representativiteit
Is een methode waarbij één woning als referentie wordt gebruikt voor meerdere gelijkende woningen in een project. Deze aanpak wordt toegepast om het proces van energielabelberekeningen efficiënter te maken, vooral bij seriematige woningbouw of appartementen.
Sterk geventileerde (aangrenzende) ruimte:
Ruimte die met buitenlucht wordt geventileerd via niet-afsluitbare ventilatieopeningen, waarbij de ventilatiecapaciteit van die ruimte minstens 3 dm³/s per m² gebruiksoppervlakte is of de nietafsluitbare openingen een gesommeerde oppervlakte hebben van 0,2 m² of meer in directe verbinding met buitenlucht. Stallingsruimten voor motorvoertuigen zijn per definitie sterk geventileerd.
Thermische brug:
Gedeelte van de uitwendige scheidingsconstructie waar het normale eendimensionale karakter van de warmtestroom significant verandert door:
1. Gehele of gedeeltelijke doorbreking van de bouwschil door materialen met een verschillende warmtegeleidingscoëfficiënt en/of;
2. Dikteveranderingen in de bouwschil en/of;
3. Aansluitingen tussen verschillende scheidingsconstructies, zoals wanden, vloeren en plafonds.
Thermische zone:
Gebouw of groep gebouwdelen waarvoor de energieprestatie wordt berekend.
Thermische schil:
Omhulling van de thermische zone voor zover deze grenst aan buitenlucht, grond, kruipruimte,
AOR of sterk geventileerde ruimte.
Utiliteitsbouw:
Alle gebruiksfuncties waarvoor een eis wordt gesteld aan de integrale energieprestatie, behalve woonfuncties en logiesfuncties niet zijnde een logiesgebouw. De gebruiksfuncties waarvoor een
eis geldt voor de energieprestatie zijn bijeenkomstfuncties, celfuncties, gezondheidszorgfuncties, kantoorfuncties, logiesfuncties zijnde een logiesgebouw, onderwijsfuncties, sportfuncties en winkelfuncties.
Vakantiewoningen:
Recreatiewoningen op een vakantiepark, camping of op het strand. Gemeenten kunnen om verschillende redenen besluiten dat permanente bewoning niet is toegestaan, bijvoorbeeld omdat de woningen in kwetsbare natuurgebieden staan.
Verwarming:
Proces van warmtetoevoeging ten behoeve van thermische behaaglijkheid.
Vloerverwarming:
Bij vloerverwarming onderscheiden we twee soorten systemen:
1. Natsysteem: de leidingen van de vloerverwarming zijn in de afwerklaag opgenomen;
2. Droogsysteem: de leidingen van de vloerverwarming zijn verzonken in isolatie met daarop een afwerklaag.
Voorverwarmer zonneboilersysteem:
Zonneboilersysteem, zonder enige vorm van bijverwarming om koud tapwater voor te verwarmen voordat het naar een ander warmwatertoestel (indien aanwezig) wordt geleid; ook wel tapwatervoorverwarmer genoemd.
Warmtegeleidingscoëfficiënt van een materiaal (λ):
Warmtestroomdichtheid die in stationaire toestand in een materiaal optreedt, gedeeld door de temperatuurgradiënt waarvan de genoemde warmtestroomdichtheid het gevolg is.
Warmtekrachtkoppeling (WKK):
Opwekkingstoestel voor de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit, dat gebruikmaakt van (fossiele) brandstof. De warmte is te gebruiken voor zowel ruimteverwarming
als warmtapwaterbereiding.
Warmte- en koudeopslag (WKO):
Dit is een methode om energie in de vorm van warme en/of koude op te slaan in de bodem. Deze techniek wordt gebruikt om gebouwen te verwarmen en/of te koelen.
Bij warmte- en koudeopslag onderscheiden we twee soorten systemen:
1. Doubletsysteem: energieopslagsysteem dat gebruik maakt van (series van) twee putten. De filters waarmee het warme en koude water in de bodem worden teruggebracht, bevinden zich op dezelfde diepte binnen één watervoerend pakket;
2. Recirculatiesysteem: een (doublet)systeem dat continue op dezelfde plaats grondwater onttrekt en continue op dezelfde plaats grondwater in de bodem terugbrengt. Deze systemen maken geen gebruik van opgeslagen warmte en koude, maar van de (constante) natuurlijke grondwatertemperatuur.
Woningbouw:
Woonfuncties en logiesfuncties niet zijnde een logiesgebouw. Alle andere gebruiksfuncties waarvoor een eis wordt gesteld aan de integrale energieprestatie, vallen in de categorie utiliteitsbouw.
Woningpositie:
Nadere aanduiding voor het type woning. Binnen het gebouwtype ‘eengezinswoningen’ worden zeven woningposities onderscheiden: tussenwoning, hoekwoning, vrijstaande woning en tweeonder-een-kap woning, vakantiewoning, woonboot en woonwagen.
Bij het gebouwtype ’woongebouw’ geeft de woningpositie de ligging van de woning binnen het appartementengebouw aan.
Woonfunctie:
We onderscheiden twee soorten woonfuncties:
1. Zelfstandige woonfunctie: woonfunctie die beschikt over een eigen toilet- en badruimte en een eigen opstelplaats voor een kooktoestel (= keuken);
2. Niet-zelfstandige woonfunctie: woonfunctie waarbij men een gezamenlijke badruimte, toilet en/of opstelplaats voor een kooktoestel gedeeld wordt. Een woonfunctie waar alleen de badruimte deelt, is dus ook een niet-zelfstandige woonfunctie.
Woongebouw:
Gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan, waarin meer dan één woonfunctie ligt, die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute.
Zonne(stroom)paneel (PV-paneel):
Component waarmee onder invloed van (zon)licht elektriciteit wordt opgewekt.
Zonneboilersysteem:
Thermisch zonne-energiesysteem met uitsluitend een warmtapwaterfunctie.
Zonneboilersysteem met geïntegreerde naverwarming:
Thermisch zonne-energiesysteem dat is voorzien van een opslagvat. Dat vat wordt op temperatuur gehouden om volledig aan de warmtebehoefte voor ruimteverwarming en/of warmtapwater te voldoen.

Recirculatiesysteem ventilatie

Bij recirculatiesystemen blijft de lucht gewoon in de woonruimte. De lucht, die niet alleen kook- en braadgeurtjes maar ook vetmoleculen bevat, wordt door de afzuiging aangezogen, gefilterd en weer vrijgegeven in de keukenruimte. De lucht komt er gereinigd terug uit.

Recirculatiesysteem

VAV-Ventilatiesysteem

  1. Een VAV-systeem is een vraag gestuurde luchthoeveelheidsregeling. Bij verminderde koelvraag leidt dit tot lagere luchtdebieten en derhalve tot een lager energiegebruik in vergelijking met CAV-systemen. Verder kan simpelweg op CO2 worden geregeld en op basis van aanwezigheid. Debietregeling gebeurt met een verstelbare klep.

*Warmtecapaciteit

De warmtecapaciteit van een gebouw is het vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan wordt bepaald door de gebruikte bouwmaterialen en hun hoeveelheden.

Materialen met een hoge warmtecapaciteit, zoals beton, kunnen grote hoeveelheden warmte opslaan zonder een significante temperatuurstijging. Dit maakt ze ideaal voor het bufferen van temperatuurschommelingen en het stabiliseren van het binnenklimaat.

Plaats een reactie

Laat een reactie achter

Scan de code